vrijdag 18 januari 2013

Kerstvakantie (1)

In een winterse omgeving is het natuurlijk niet moeilijk om in een kerstsfeer te raken.  En als elk willekeurig radiostation de bekendste vier kersthits op repeat heeft staan, supermarkten adverteren met grote brokken varkensbuik, verzeepte vis en koolrabi, is de kerstperiode echt aanstaande.  Die cues zijn eigenlijk ook wel nodig, want anders ben je geneigd al begin november -koud, donker, eerste echte sneeuw- de kerstboom op te zetten. 

Dit hadden we echter geen witte straten, en de sneeuw van een maand oud die nog aan de kant van de weg lag, was grijs. Ondanks dat er met slechts een paar millimeter neerslag in december een nieuw record was gevestigd, lag er in de bergen nog wel sneeuw. Die besloten we maar op te zoeken, maar daarover later meer.

Op kerstavond hebben we uitgebreid gekookt. Vooraf gegrilde coquilles met bloemkoolcreme, lint van winterpeen en pistachekruimels. Als hoofdgerecht krabthermidor met knolselderijstamp en koolrabi. Vanwege de plannen van de dag erna hebben we geen toetje gedaan, maar koffie met cognac en amaretto.


Eerste kerstdag reden we naar Ringvassøya. een ritje van een half uur. Op een van de donkerste dagen van het jaar begonnen we rond tien uur 's ochtends aan een tocht op sneeuwschoenen van tien kilometer lang. De zon mag dan wel onder de horizon blijven, met het schemerlicht kun je een aantal uren redelijk zien. Na een half uur lopen merkte ik dat het tempo wel erg laag lag. Het eerste stuk van de reis ging over een grindpad waar ijs en losse sneeuw op lag. Lastige ondergrond om kilometers te maken, dus we dachten een tijdje dat we het wel zouden inhalen. toen we dat pad hadden verlaten, werd het duidelijk dat het een langer zou duren dan we gedacht hadden: er moest toch meer geklommen (en weer gedaald) worden en de onberekenbare sneeuw (nu eens sneeuwgeblazen hard, dan weer los en diep) vertraagde en vermoeide ons. 









Rond een uur 's middags moesten de hoofdlampjes op. Het schamele indirecte zonlicht werd nog schameler en sneeuw en lucht werden diepblauw. Na nog een uur kwamen we piepend en krakend aan bij de hut. Net op tijd, want het begon flink te waaien. De hut bood dan wel beschutting tegen de wind, echt warm was het er niet: de thermometer in de hut gaf -7°C aan. Meteen de kaarsen aan en een flinke stapel hout in de kachel.  Het kost een tijd voordat de gietijzeren kachel warmte afgeeft, maar dan gaat het ook hard. Het eerste uur zaten we met warme gløgg in onze nog geschoeide handen bij de kachel, daarna konden de jassen uit. Drie uur nadat de kachel aan ging, bleek het ineens 25°C te zijn.




Roezig van de inspanning, de warmte (en wellicht de honingwodka in de gløgg) hadden we een rustige middag en avond. Met kaarsen als enige verlichting (wat opmerkelijk goed gaat) speelden we een spelletje, lazen een boek en aten onze thuis voorbereide rendierstoofpot. Op tijd naar bed, want de volgende ochtend moesten we natuurlijk weer op tijd de reis terug beginnen. Veel slaap hebben we niet gehad; door de wind spookte het nogal rondom de hut, die harde piepte en kraakte dan de rolstoel van een kettingrokende emfyseempatiënt.







De volgende dag was het minder koud, maar we begonnen de terugreis met beperkt zicht. Bovendien had het flink gesneeuwd en onder invloed van de wind was de sneeuw op sommige plekken behoorlijk diep opgestapeld. Het scheelde wel dat we dit keer netto ongeveer 400 meter konden dalen. Bij het laatste meertje van de dag stonden ook weer wat bomen, die met het glooiende sneeuwlandschap de aanblik van een winterwonderland verschaften. Dit laatste meer staken we recht over (in plaats van onhandig langs de rand te lopen zoals de dag ervoor), wat weer een een kwartier scheelde. Met overal spierpijn kwamen we terug aan bij de auto.